Toen ik de deur binnenkwam, viel me op dat er iets heel anders was dan anders op vrijdagmiddag. De tussendeur van het halletje was dicht. Het was doodstil, er klonk geen radio. En het was heel koud in huis terwijl het al het eind van de middag was. Ik hing mijn jas aan de kapstok en liep enigszins ongerust het huisje in. In de slaapkamer zag ik mijn moeder in bed, heel wit en stil. Ik boog mij over haar heen en aaide zacht over haar gezicht. Dat gezicht was ijskoud. “Mam je bent niet op”, zei ik. “Nee, er is vandaag niemand
gekomen”. “Blijf maar lekker in bed, ik maak een kruik, warme thee en zet de verwarming aan”. 

Terwijl ik naar de keuken liep en water opzette, begreep ik dat twee thuiszorg-hulpen niet waren gekomen. In de kamer zette ik de verwarming vol aan.

Terwijl het water opstond, zocht ik groente om een soepje te maken. Snel werd het warmer, mijn moeder knapte op van de kruik en wat thee. Toen zij weer een beetje tot leven kwam en warm aangekleed was, haalde ik haar over naar de keuken te komen. Samen liepen wij gearmd naar het tafeltje in de keuken.

De kleine keuken was al lekker warm. Terwijl ik de groente schoonmaakte babbelde ik wat over de afgelopen dagen. Zodra de soep begon te geuren begon ook mijn moeder weer te praten. Verhalen over geuren in de keuken van haar grootmoeder in Raalte, waar zij als Rotterdams kind zomers logeerde. En geuren van het brood bij de bakker waar haar grootmoeder naast woonde. De geuren
bij oom Willem, de hoefsmid, waar altijd een laaiend vuur aan was, waarboven in de rook het vlees van de slager hing.

Het drong toen eigenlijk pas tot mij door dat, sinds mijn moeder nu echt nagenoeg blind was, haar verhalen veel vaker over geuren gingen.

De dagen na deze middag knapte mijn moeder weer op. Mijn zus ging achter de thuiszorg aan en de schrik bij mijn moeder was over. Wij halen haar wel over het alarm te gebruiken in zo’n geval van nood. “Ach”, zei ze filosofisch, “wat is nood, een 93-jarige zonder hulp.... als dat alles is”.

Marjan Stomph